Balthazar Bescheij (1708-1776)

Boegbeeld van de Antwerpse schildersdynastie 

Balthazar, Jacobus tweede zoon, groeide uit tot de spil van het familieatelier. Vanaf de jaren dertig leidde hij naast zijn drie broers ook leerlingen op. De meeste opdrachten werden door hem en zijn broer Carel uitgevoerd, later door Co, terwijl hun vader zich steeds meer op de kunsthandel richtte.

Zijn late inschrijving als meester in 1752 had waarschijnlijk zowel een praktische als een persoonlijke reden. Zolang zijn werkzaamheden vielen onder de vlag van het atelier van zijn vader, was een zelfstandige gilde-inschrijving niet noodzakelijk. Mogelijk wachtte hij bovendien uit respect voor zijn vaders positie en gezag.

De inschrijving bij het Sint-Lucasgilde in 1752 markeerde het begin van een nieuwe fase. Met het vooruitzicht van zijn huwelijk in januari 1753 werd volledige zelfstandigheid onontkoombaar: een vereiste voor iedere man die een gezin wilde onderhouden. In de jaren die volgden bekleedde hij functies als directeur van de Academie en opperdeken, en verwierf hij aanzien met grootschalige interieurdecoraties, onder meer in het stadspaleis aan de Meir.

De latere verwarring rond zijn oeuvre is mede ontstaan doordat zijn door hem opgeleide petekind, Balthazar Bescheij II, eveneens schilder werd. Pas na zorgvuldige vergelijking van stijlkenmerken, signaturen en archivalische gegevens konden werken van beiden met enige zekerheid van elkaar worden onderscheiden.