Archiefonderzoek
De reconstructie van de familie Bescheij steunt op een breed scala aan archiefbronnen in Antwerpen, Amsterdam, Londen en daarbuiten. Elk type document werpt zijn eigen licht op de levens van de kunstenaars en hun omgeving.
De doop-, huwelijks- en begraafregisters — bewaard in het FelixArchief te Antwerpen en het Stadsarchief Amsterdam — vormen het fundament van hun biografieën. Zij bevestigen geboortedata, familiebanden en verhuizingen.
De Liggeren van het Sint-Lucasgilde registreren formele inschrijvingen van meesters en leerlingen, maar blijken niet altijd even nauwkeurig; generaties met gelijke namen werden vaak samengenomen.
De notariële akten brengen de menselijke kant aan het licht. Schenkingen, testamenten en procuraties tonen niet alleen financiële relaties, maar ook zorg, vertrouwen en afhankelijkheid binnen de familie.
Schepenregisters en belastingrollen maken zichtbaar waar de kunstenaars woonden, welke huizen zij bezaten en hoe hun maatschappelijke positie zich ontwikkelde.
Veilingcatalogi tenslotte tonen hoe hun werk bleef circuleren en herinnerd werd, lang na hun dood.
Voor de Amsterdamse generatie, met name Balthazar Bescheij II, komen daar specifieke bronnen bij.
De poorterboeken en poorterseden bevestigen zijn burgerrecht en vestiging in 1767; register van de Stadstekenacademie toont zijn plaatsing in de hoogste tekenklasse en zijn deelname aan wedstrijden met een prijsuitreiking.
De rooms-katholieke schuilkerken, zoals De Star en de Krijtberg, leverden belangrijke aanknopingspunten via doop- en begraafinschrijvingen van zijn kinderen. Notariële akten werpen licht op de praktijk van de Amsterdamse jaren: zijn atelier, zijn netwerk en de financiële realiteit van een kunstenaar in een stad vol concurrentie.
Slotbeschouwing
De familie Bescheij is meer dan een verzameling namen. Hun verhaal toont hoe archieven kunnen spreken — en hoe elk document, hoe klein ook, een sleutel kan zijn tot een herzien beeld van het verleden.
Archiefonderzoek is in dat opzicht geen droge reconstructie, maar een vorm van luisteren: naar stemmen die ooit klonken in gildekamers, ateliers en stadsregisters, en die pas door nauwgezet onderzoek weer hoorbaar worden.